“Het lijkt zo lelijk, alsof ik hem alleen maar als een enge man zie. Natuurlijk is dat niet zo, terwijl hij dat toch ook geweest is: een enge, vreemde man waar ik bang voor was. Bang dat ik echt een klap op mijn hoofd zou krijgen. Joop zegt nu dat hij niet door had dat er zoveel mensen bang voor hem waren. Dan zou ik willen zeggen: ‘Ik ook, ik ben net zo bang voor jou geweest.’ Hij kon ontzettend agressief zijn, ook tegen mij. Hij heeft zelfs zijn geboorte vervloekt.
De ellende is, dat ik haast geen blije moeder meer kon zijn. Ook niet voor mijn andere kinderen. Je gaat heel anders tegen de dingen aankijken. En je maatstaven worden anders. Je moet wel, om te overleven.
Toen mijn man overleed, heb ik er alles aan gedaan om mijn kinderen een goede studie te laten volgen. Ik werkte hard, had een drukke baan. Daarom ben ik misschien nooit zo’n lieve, gezellige, warme thuiszittende moeder geweest. Maar mijn dochters zeggen nu: ‘Geeft niet mam, die thee ’s middags hebben we nooit gemist hoor!’.”