Het onderstaande verhaal is afkomstig uit een recent boek van Carolien Roodvoets, TBS Verdoemd leven (2011). [Te bestellen onder ISBN 978 90 6963 950 5 bij Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.].

Willem Anker schrijft in zijn Woord vooraf: “Het boek verschijn precies op het juiste moment, in een tijd waarin repressie en vergelding centraal staan en termen als resocialisatie en humaniteit besmet lijken.”. In elf hoofdstukken beschrijft Carolien Roodvoets de vitale aspecten van TBS van binnen uit. Zelf werkte zij tien jaar in de Pompekliniek als sociotherapeut en gezinstherapeut; haar beschrijving en analyse van de TBS wisselt zij af met persoonlijke ervaringsverhalen zoals het onderstaande.

Op pantoffels en in pyjama komt hij mijn spreekkamer binnensloffen. De deur staat op een kier, hij weet dat hij dan zo maar naar binnen mag lopen, zonder te kloppen. Hij moet mij dringend spreken. ‘Ik doe geen zaken met mannen in pyjama,’zeg ik, ‘ga je eerst maar eens aankleden.’. Hij druipt af, en even later staat hij gekamd en geschoren weer voor mijn deur. Zijn tante wordt zestig en geeft een feest en hij mòet daar naartoe, of ik dat even voor hem kan regelen. Zijn toon is dwingend. Ik ken die toon en word er niet warm of koud van. Ik werk al jaren met hem en weet dat die dwingende toon voortkomt uit een gebrek aan sociale vaardigheden, hij meent het niet zo beroerd.

Peters moeder is verongelukt toen hij nog een baby was en hij is daarna van hot naar haar gesleept. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Hij verbleef een tijdje bij familie, werd in een inrichting geplaatst toen hij te lastig werd, liep daar steeds weg, zwierf rond en uiteindelijk kwam hij in verschillende pleeggezinnen terecht en werd mishandeld door een van de pleegouders. Amper vijftien jaar was hij al verschillende keren met justitie in aanraking geweest en ten slotte kreeg hij tbs. Zijn levensverhaal is triest, maar wat opvalt, is dat hij over zichzelf nauwelijks een verhaal te vertellen heeft. Wanneer hij praat over vroeger komen er losse zinnen, flarden … Het verhaal mist ieder chronologisch verband, veel weet hij ook niet meer … ‘Ben ik zeker vergeten’, zegt hij wanneer ik doorvraag. Wanneer je je eigen verhaal over je verleden niet kent, kun je ook niet het heden begrijpen en dan is de weg die voor je ligt ook minder helder dan die zou kunnen zijn. Om die reden besluit ik samen met hem zijn persoonlijke geschiedenis in kaart te brengen. We gaan een plakboek maken waar we alles in plakken en schrijven wat we over zijn geschiedenis te weten kunnen komen. Hij is dolenthousiast over het voorstel en heeft ineens veel vragen. En het idee dat we voor dit project regelmatig de kliniek uit moeten, staat hem bijzonder aan.

We beginnen bij het begin. We zoeken op waar hij precies geboren is, waar zijn wieg heeft gestaan. Het rapport van het Pieter Baan Centrum geeft veel aanknopingspunten. Hij is nog nooit in de straat terug geweest waar zijn moeder met hem heeft gewoond voordat ze verongelukte. Op een rustige winterdag gaan we erheen; het is dik twee uur rijden, richting het noorden van het land. Onderweg kletst hij aan één stuk door. Hij lijkt wat zenuwachtig te zijn. Hij heeft zijn broer gesproken, die wist nog veel te vertellen over vroeger en heeft hem ook verteld dat zijn lagere school er nog staat, maar het ouderlijk huis niet meer. Dat is afgebroken en er is nieuwbouw voor in de plaats gekomen. Onderweg drinken we een kop koffie bij een wegrestaurant; hij wil per se trakteren. Hij vindt de uitstapjes heerlijk; hij mag soms ook alleen op pad, maar samen met een begeleider vindt hij het veel gezelliger.

In zijn geboorteplaats aangekomen, vinden we snel de straat … er staan allemaal nieuwe huizen. Hij kijkt teleurgesteld, kan zich niets meer herinneren van de buurt. We lopen naar zijn lagere school en gelukkig voor hem is dat gebouw vrijwel onveranderd gebleven. Hij wijst me aan in welke klas hij zat. Hij leeft helemaal op bij de herkenningspunten.

Er volgen nog enkele uitstapjes. We bezoeken de inrichting waar hij heeft gezeten en vinden zijn naam terug in de registers. We vragen de krant op waarin een foto heeft gestaan van het dodelijk ongeluk van zijn moeder. Wanneer we de foto zien, moeten we beiden slikken. Twee auto´s frontaal op elkaar gebotst, totaal in de kreukels. Zijn moeder was op slag dood, evenals de inzittenden van de andere auto. In de krant staat de naam van het kruispunt erbij vermeld. We besluiten daar naartoe te gaan, want hij wil dit combineren met een bezoek aan het graf van zijn moeder.

Op de dag van het grafbezoek heeft hij zich extra mooi aangekleed, en hij wil dat ik een foto maak van hem bij het graf. Eerst rijden we naar de plaats van het ongeluk, we staan langs de weg en zeggen tegen elkaar dat het hier gebeurd moet zijn. Een beetje onwezenlijk is het … ´Wat raar om hier zo te staan´, zegt hij alleen maar. Hij wil er niet lang blijven en we gaan naar de begraafplaats. We weten alleen dat zijn moeder daar moet liggen, maar weten niet waar we moeten zoeken. We zwerven los van elkaar langs de graven in de hoop haar en zijn achternaam te zien. De beheerder in het kantoortje helpt ons verder en noemt een grafnummer. We zoeken nog even en dan zien we de stenen. Een bijzonder mooi slank zuiltje siert het graf. Hij leest haar naam hardop en ik hoor aan zijn stem dat hij geëmotioneerd is. ‘Ik was nog zo klein toen ze stierf’, zegt hij. Alsof hij zich dat nu pas voor het eerst realiseert. Hij hurkt bij de steen en omarmt haar … zo wil hij op de foto; terwijl ik afdruk lacht hij krampachtig naar me. ‘Neem er nog een paar’, zegt hij, ‘stel dat ze mislukken.’

Na het grafbezoek drinken we koffie in een café op de hoek. Hij is er stil van. ‘Hoe is het?’ vraag ik … ‘Gaat wel’, zegt hij. In de lange autorit naar huis begint hij weer te praten. Het is inmiddels donker en het is rustig op de weg. Ik neem de tijd en heb geen zin om hard te rijden. De autoradio staat zachtjes aan, en in die intieme sfeer van het terugrijden, vertelt hij me over zijn leven en zijn vriendin, over hun verkering en dat ze het van de ene op de andere dag had uitgemaakt. Hij heeft nooit begrepen waarom. Hij denkt dat hij geen goede minnaar is geweest en dat ze daarom is vertrokken. Opeens vraagt hij me of hij me wat mag vragen over seks. Dat mag. Het vrijen met haar liep niet; hij vertelt over zijn onzekerheden. We praten er op een rustige manier over, ik geef voorlichting, maar sta ook stil bij zijn verwarring en bij zijn interpretaties. ‘Ik heb nog nooit met iemand serieus over seks gesproken,’ zegt hij wanneer we bijna bij de kliniek zijn, ‘en nu praat ik er zomaar met jou over.’ Hij wil weten wat ik allemaal ga opschrijven van dit gesprek. Ga ik aan mijn collega’s rapporteren dat we het over seks gehad hebben? Dat zou hij vervelend vinden, niet iedereen hoeft te weten van zijn onzekerheden. Ik beloof hem dat ik er in de rapportage heel summier over zal zijn, en dat hij mag lezen wat ik erover opschrijf. Dat stelt hem gerust. Terug in de kliniek, wanneer ik hem op de groep aflever, vraagt de dienstdoende sociotherapeut: ‘En … hebben jullie een goede dag gehad?’ – ‘Dat gaat jou niets aan’, zegt hij. De zachtheid is verdwenen, de stoerheid is terug.